Als ik een blaadje was, dan zou ik niet vallen
Als ik een tak was, dan brak ik nooit
Als ik een stam was, dan zou ik niet buigen
De vogels zongen, ik werd niet gerooid
Amelisweerd
Dat loopt verkeerd
Af
Zeshonderd bomen
Staan op hun graf
Als ik een zaag was, dan zou ik gaan zingen
Als ik de Rijn was, dan bleef ik krom
Als ik die weg was, dan was ik weg (weg, weg!)
Als ik de Dom was, dan bleef ik dom
Amelisweerd
Dat loopt verkeerd
Af
Zeshonderd bomen
Staan op hun graf
dfg dfgdfg df gdfh gdfj gf jgf
j hfgj hgfj hfgj fghj ghj hgjhgjghjhfg
't Was zo stil op mijn verjaardag
De klok, die tikte iets te luid
De kring met gasten zat te zwijgen
't Klamme zweet, dat brak me uit
Ik dacht: Ik vertel een mopje
Na het tweede kopje
Daar zijn ze wel aan toe
Maar toen ik ging vertellen
Begon ik met de clou
Waar is de nooduitgang, waar is de nooduitgang
Ik kan dit wel verdragen, maar niet te lang
Nooduitgang
Ik had al maanden geen bezoek gehad
Ik zat maar voor me uit te turen
Toen belde iemand met een bloemstuk aan
Maar dat was voor de buren
Ik was al vroeg op een promotiefeest
Naar de wc geweest
Nog uren lang gepraat
En dat m'n rok vanachter in m'n panty zat
Zag ik pas 's avonds laat
Waar is de nooduitgang, waar is de nooduitgang
Ik kan dit wel verdragen, maar niet te lang
Nooduitgang
Ik had een mooie vrouw versierd
Maar 't was maar voor een nachtje
Daar was ik trouwens niet zo rouwig om
Ze had een heel naar lachje
En katten houwen, hou ik ook niet van
Daar krijg je vlooien van
M'n vissekom staat leeg
Ik wou twee kinderen gaan kopen
Maar 't bleek dat je ze kreeg
Waar is m'n nooduitgang, waar is m'n nooduitgang
Ik kan dit wel verdragen, maar niet te lang
Niet te lang
De eerste avond dat ik jou ontmoette in 't cafe
Zei jij "Ik houd van wandelen, wandel een keertje mee"
Dus pakte ik mijn rugzak in en ging naar het station
Jij droeg zo'n knickerbocker, ik vond dat dat niet kon.
Groen was het gras, traag ging de tijd
Waar was de weg, de weg was kwijt
Jij had de route uitgezocht, `t was eerst een eindje rijden
De stilte in de trein-coupe was met een mes te snijden
De wandeling ging door het bos dat was wel even wennen
Want loofhout vind ik prachtig mooi, maar 'k houd niet zo dennen
Groen was het gras, traag ging de tijd
Waar was de weg, de weg was kwijt
Nee nergens was een pad te zien, laat staan een paddestoel
Jij zei nog optimistisch: "We lopen op gevoel"
Na uren in die boom geklommen wist je waar we waren
Met dennennaalden prikte ik door mijn diverse blaren
Dat was nog maar de heenweg, toen moesten we nog terug
Die heb ik niet gelopen, die zat ik op je rug
Jij klaagde niet over die last en ik, ik vond je aardig
Maar jij bent nooit meer langs geweest...merkwaardig
Groen is het gras, traag gaat de tijd
Jij blijft maar weg, ik ben je kwijt
Ik ben je kwijt, ik ben je kwijt
Als 's avonds de bel gaat
Dan doe ik een baby na
Die huilt in z'n bedje
En daarna de stem van pa
Ik loop de trap af
Ik ben niet alleen
't Gezin biedt bescherming
Vandaar dat ik ween
't Gezin biedt bescherming
Vandaar dat ik ween
Als 's avonds de bel gaat
Dan blaf ik een keer of twee
Niet als een teckel
Maar als een bouvier
Ik loop de gang door
En roep: Tarzan af
Een hond biedt bescherming
Vandaar dat ik blaf
Een hond biedt bescherming
Vandaar dat ik blaf
Als 's avonds de bel gaat
Dan volgt een verkleedpartij
Mijn stem wordt dan lager
Ik fluit er een liedje bij
Ik bind een snor voor
En lach in mijn baard
Zo blijft mij verkrachting
Tenminste bespaard
Zo blijft mij verkrachting
Tenminste bespaard
Ik heb een jurk met rozen aan, dat vind ik toch zo fleurig staan
Soms noemen ze me Roos Marie, dan zeg ik hun: "zo heet ik nie"
Ik heb een jurk met rozen aan, dat vind ik toch zo enig staan
Soms noemen ze me Roos Marie, ik zeg "Zo heet ik niet, ik heet Margriet"
Een van mijn vaste klanten, kocht altijd vaste planten
Maar op een dag chrysanten, die gaf ie toen aan mij
Hij greep meteen zijn kansen, vroeg "ga je met me dansen"
Ik zei "Van harter ganse, vanavond ben ik vrij."
Ik trok mijn jurk met rozen aan, o had ik dat maar niet gedaan
Hij noemde me steeds Roos Marie, ik fluisterde "Zo heet ik nie"
Ik had mijn jurk met rozen aan, o had ik dat maar nooit gedaan
Hij noemde mij steeds Roos Marie, ik zeg "Zo heet ik niet, ik heet
Margriet"
Hoezeer het mij benauwde, hij kon het niet onthouden
Ook niet toen we trouwden, er gebeurde dit:
Ik kreeg haast een maagzweer, dat deed godgeklaagd zeer
Helaas was ik geen maagd meer, ik mocht niet in het wit
Ik trok mijn jurk met rozen aan, o had ik dat maar niet gedaan
De ambtenaar zei "Roos Marie", ik zei "Zeg man, zo heet ik nie!"
Ik had mijn jurk met rozen aan, o had ik dat maar nooit gedaan
De ambtenaar zei Roos Marie, ik zeg "Zo heet ik niet, ik heet Margriet"
Het huwelijk was lijden, de reden van het scheiden
Ik was van ons beiden niet monogaam
Rood licht, een jurk met kanten, ik heb weer vaste klanten
Want tussen m'n planten zit ik voor het raam
Ik heb mijn jurk met rozen aan, dat vinden ze zo enig staan
De mannen hijgen "Roos Marie", ik zucht dan "Nee, zo heet ik nie"
Ik heb mijn jurk met rozen aan, al vele malen uitgedaan
Ze zeggen Roos vergeet me niet, ik zeg "Zo heet ik niet,
Ik heet Margriet, ik heet Margriet, ik heet Margriet."
Ik werkte in een warenhuis, etage nummer drie
'k Verkocht aan dames ondergoed, dat heet daar lingerie
Jij werkte op de tweede, je verkocht Chopin en Bach
En ik vergiste mij zo in je muzikale lach
Als een lift liet jij me zakken
In de schacht van het verdriet
Ik moest gaan tot op de bodem
Want de knopjes werkten niet
Maar, ik had een schroevedraaier
O, ik wist dat ik het kon
'k Repareerde het defect
En ik ging naar de zon
Jij vroeg mij of ik zingen kon, ik zei volmondig 'ja'
Je zei: "We gaan een plaatje maken, dat wordt platina"
Maar o, wat viel dat tegen, toen die avond na het werk
Jij wilde zelf graag zingen, en het liefste in de kerk
Als een lift liet jij je zakken
In de schacht van het geluk
En je ging tot op de bodem
Al m'n knopjes waren stuk
Maar, ik had een schroevedraaier
O, ik wist dat ik het kon
Daarmee dreef ik jou naar buiten
En je viel van 't balkon
Nu sta ik hier te zingen en jij zit al maanden thuis
Met spijt als haren op je hoofd, nou ja, dat is je kruis
Ik ben dus geen verkoopster meer van damesondergoed
Ik werk nu op een andere manier op hun gemoed
Als een lift schiet ik naar boven
In de schacht van het succes
'k Heb een fanclub en een auto
En een huis met een bordes
Maar, nog steeds geen leuke vrijer
Die mij beschermt, die op me let
'k Heb alleen een schroevedraaier
Die ligt naast mij in bed
Wat zou ik gaan doen met vakantie?
Iedereen ging met elkaar.
Ik vond toen een folder op de deurmat
en dacht: met een groepsreis dan maar.
De juffrouw van het reisbureau
keek mij welwillend aan.
Een kamer voor een vrouw alleen,
dat zou helaas niet gaan.
Maar met z'n drieën is voordelig
en je maakt contact.
Ik knikte, ging naar huis
en was gepakt.
Limburg is zo mooi,
Limburg is zo groen,
en er is verbazingwekkend
veel te doen.
Varen op de Maas,
naar een oude kerk.
Dit is geen vakantie,
dit is werk.
De bus stond al klaar bij de Jaarbeurs,
ik arriveerde aan de late kant.
m'n reisgenoten hadden al een plaatsje.
Een was er nog vrij: boven de band.
Dat zat behoorlijk krap,
mijn hoofd, dat raakte haast mijn knie.
Men lachte in mijn richting
maar gewisseld werd er niet.
De reisleidster zij wenste
ons een hele mooie week.
Het landschap gleed voorbij
maar niemand keek.
Limburg is zo mooi,
Limburg is zo groen,
en er is verbazingwekkend
veel te doen.
Varen op de Maas,
naar een oude kerk.
Dit is geen vakantie,
dit is werk.
Ik deelde een kamer met twee zussen,
zij zetten hun bagage op m'n bed.
Zij keken mij niet aan en ik begreep het:
die stretcher was er later bijgezet.
Er werd naar mij gekeken
want mijn lippen waren rood.
En tijdens een excursie
was mijn bloesje iets te bloot.
Aan tafel werd gesproken
over kinderen en geld.
Ik zei: let maar niet op mij,
ik ben ongesteld.
Limburg is zo mooi,
Limburg is zo groen,
en er is verbazingwekkend
veel te doen.
Varen op de Maas,
naar een oude kerk.
Dit is geen vakantie,
dit is werk.
De dagen gingen voort, het werd gezellig.
Aan tochtjes met de bus was geen gebrek.
Ik wandelde het liefst daar door de heuvels.
Men zei het niet, dat van die rode vlek.
Dat was de laatste avond,
toen moest iedereen iets doen.
Een kleine conference,
jongens, geef hem van katoen.
En nou komt juffrouw Bonestaak,
een onderdrukt gejoel.
Ik kon niet anders
en klom op mijn stoel.
Jodelohoetie,
jodelolololohoetie.
Jodelohie, jodeloha,
jodelololohoetie.
Jodelohoetie,
jodelolololohoetie.
Dit was geen vakantie,
't was werk.
ik voel je in mijn armen
ik voel je op mijn huid
en hoe ik ook zal schrobben
je gaat er nooit meer uit
Vlooien springen
merels zingen
poezen miauwen
koeien herkauwen
muizen piepen
deuren soms
Ik zag twee potten en een lelijk kind.
Ik dacht: de donor zal wel onbekend zijn,
en zo te zien een monsterlijke vent zijn
die daarvoor dus op deze wijze compensatie vindt.
Die potten waren twee echt hele mooi vrouwen.
Ik dacht: verdorie, had de spermabank
nou niet wat appetijtelijkers op de plank.
Zo'n lelijk kind, daar kan je toch onmogelijk van houden.
Het kind zei 'mamma' en ze keken allebei.
Een deed er kidiekidiekidie op z'n handje,
hij lachte en ik zag een heel lein schattig tandje.
Toen ik langsliep, echt waar, toen zwaaide hij naar mij.
Ik zwaaide terug en zei: dag dames, wat heeft u een lekker kind,
wie dat niet ziet is of jaloers, of stekeblind.
De messen liggen agressief in de keukenla,
klaar om de verse IJsselmeerbot
de ingewanden naar buiten te keren,
de keel af te snijden.
De schaar, benen wijd, wacht
op vinnen knippen, gratenrand, staart.
De ijzeren borstel wil maar
een ding: schubben.
Een citroen is in twee delen uiteengevallen.
Zout en peperkorrels zijn geplet,
vet spettert, afzuigkap raast.
Alles wat zich opende wordt dichtgeschroeid.
Versleten kleed op planken vloer
randen van kussentjes
op de bank tot de naad versleten.
Door de bergen gelopen knieën
kaakgewricht versleten van veel praten
zingen lachen ha.
Woorden versleten woorden
minnaars ook heel veel
versleten kut.
Veel van het woord versleten
gelezen gelezen gelezen.
Gezien hun leeftijd
kochten ze geen jonge boompjes
voor de nieuwe tuin.
Bij de kwekerij ging hij
naast een meidoorn op stam staan
en zij schatte de afstand
tussen zijn hoofd en de kruin.
Haar slanke pols had de dikte van
een tak en samen hoopten ze op
bessen in de winter en groenlingen
op de grond.
Rode kornoelje! riep ze
en haar wangen kleurden als robijnen.
Die avond nam hij haar op zijn rug
en reed haar vorstelijk de kamer rond.
Ze lachten uitbundig
achter gesloten gordijnen.